Kampdagboeken
OverzichtBeb Vuyk (11-2-1905), een van onze belangrijkste 'Indische' schrijvers, verbleef als zo veel andere Nederlanders tijdens de Tweede Wereldoorlog in een Japans interneringskamp. Haar Kampdagboeken worden ingeleid door een drietal autobiografische verhalen, die als achtergrond functioneren. Daarin vertelt ze de geschiedenis van een kongsi van drie vrouwen en twee kinderen. Anne, de oudste, een beeldhouwster, Chris, een apotheker en Beb met haar twee zoontjes Hans en Rudi. Ze woonden al vanaf mei 1942 samen in Anne's atelier in de omgeving van Soekaboemi, waarvandaan ze in december van datzelfde jaar op transport worden gestuurd naar Kareës, een groot kamp in Bandoeng. Van dat groepje blijft ten slotte alleen Beb over met haar jongste zoontje van tien jaar, die uiteindelijk samen in Kampong Makasar terechtkomen.
Kampong Makasar is een barakkenkamp en een werkkamp. Het grootste gedeelte van de vrouwen werkt in de groentetuinen. Beb Vuyk, die acht jaren op Boeroe, een afgelegen eiland in de Molukken, pionierde en daar haar meest bekende boek Het laatste Huis van de Wereld schreef, voelt er zich tot haar eigen verbazing en verontrusting tamelijk gelukkig. Dat blijkt Uit het eerste gedeelte van haar dagboek. Die dagboekbladen lijken nog het meest op brieven naar huis. 'Brieven naar huis die nooit verzonden kunnen worden omdat een thuis niet meer bestaat.'
De toestand in het kamp verergert na enkele maanden. De oorzaken zijn overbevolking, verwaarlozing, ziekte en zwakte door ondervoeding. Dan krijgt het dagboek een aangrijpender karakter. Het zijn alleen nog maar kale notities. De stijl is zeer bewogen en tegelijkertijd afstandelijk alsof het dagboek afkomstig is van een toeschouwer. Beklemmend hoogtepunt vormt de beschrijving van uur tot uur van de twee volle dagen dat het kamp voor straf geen eten en nauwelijks te drinken krijgt. Een aangrijpend egodocument.