Het dichterlijk tafereel der stad Leyden
OverzichtHet werk heet Voluit Het dichterlijk tafereel der stad Leyden, in den avond en nacht van den 12n van Louwmaand 1807, door mr. R.H. Arntzenius, aan een’ oud’ Liefhebber der dichtkunst voorgelezen. Het is uit 1807, kort na de zogenaamde Leidse buskruitkramp — een grote ramp waarbij een buskruitopslag explodeerde in Leiden.
Het gedicht beschrijft de verwoestende nacht van de ramp, de ontreddering en het verdriet onder de bevolking. Het schetst krachtige beelden van vernietiging: huizen in puin, verwrongen lichamen, angstige mensen die midden in nacht ontsnappen of hulp zoeken. Er is ook aandacht voor het morele en religieuze aspect: wanhoop, schuld, maar ook hoop, medeleven en solidariteit. Arntzenius beoogt met poëzie de emotie te raken, te herdenken, en leed niet zomaar te sensationaliseren, maar moreel te kaderen.
De uitgave van Marinus van Hattum bevat een inleiding en toelichtingen, waarin opgemerkt wordt dat het gedicht literaire tekortkomingen kent: beelden die overdrijven, soms ‘regelrechte onzin’ bij nauwkeurige lezing.